Conconitest
 

Tijdens de BBQ had René aangeboden om voor de liefhebbers bij hem in de "PRAKTIJK"een conconitest te laten doen. We zijn met enkele Dauwtrappers naar hem toe gegaan en hebben deze test gedaan. Het was wel een apparte ervaring om in een korte tijd je helemaal kapot te rijden.

Hierbij een beschrijving wat de test inhoud en enkele foto's van de test         .              

De simpelste methode om de anaërobe drempel te bepalen is door te luisteren naar je ademhaling: als je gaat hijgen dan zit je rond de drempel. Veel betrouwbaarder is de Conconi-test, een inspanningstest waarbij stapsgewijs de intensiteit wordt opgevoerd en de daarbij behorende hartslag gemeten. Het gaat er vanuit de hartslag lineair stijgt bij het opvoeren van de snelheid tot de anaërobe drempel. Voorbij deze drempel gaat dit lineaire verband verloren. Na afloop van de test wordt met behulp van een hartslaggrafiek de drempel geschat.

Materiaal en methoden:

Voor het uitvoeren van de test heeft men een fietsergometer nodig waarbij men de weerstand in watts kan instellen en een hartslagmeter, voor het registreren van de hartslag. Als warming-up wordt 10-15 min. gereden met een belasting van 100 Watt. Aan het einde van deze fase start de testpersoon de test met een startvermogen van 100 watt. Om de test voor wielrenners aan te passen wordt als trapsnelheid gekozen voor 90-100 omwentelingen/min. Een hartslagmeter (POLAR sporttester of gelijkwaardig) registreert en slaat de hartslagen op in zijn geheugen. Bij de eerste trap wordt de testpersoon 120 sec belast wat een arbeid van 120 x 100 watt = 12 kJ oplevert. Aansluitend wordt het vermogen met 20 watt naar 120 watt verhoogd en de belastingsduur van 120 naar 100 sec. verlaagd, om de arbeid constant te houden.Aan het eind van de test, wanneer men het te rijden vermogen niet meer kan halen, kan men de gegevens in een grafiek verwerken

 

                                                       Hier krijgen we uitleg van René wat de test inhoud.

                                 

 

  

De voorbereiding: gewicht, lengte leeftijd.  


                             

 

De fietstest

      

                                          
 

                      

                                 

                           

De test uitslagen: 

 

 

lengte gewicht BMI vet% VO2 max Met Omslagpunt

André

186 80,5 23,3 17,1 34 9,9 175

Mark

181 83 25,3 15,9 31 9 178

Jos

175 73,6 24 18 29 8,4 165

Mario vd Berk

175 68,8 22,5 17,5 28 8,2 175

John 

181 88,1 26,9 26,5 27 7,9 191

Hans Wijgaarts

183 88,5 26,4 24 27 7,9 182

 

 

Beschrijving van de volgende punten:

 

 

BMI =

 

 

Vet% =

 

 

VO2 max =

 

 

Met =

 

 

 

Omslagpunt =

       

 

De Body Mass Index

De Body Mass Index (BMI), ook wel Quetelet Index genoemd, is een index voor het gewicht in verhouding tot lichaamslengte. De BMI wordt berekend door het lichaamsgewicht in kilo’s te delen door het kwadraat van de lichaamslengte (lengte keer lengte, uitgedrukt in meters). De BMI geeft een schatting van het gezondheidsrisico van het lichaamsgewicht. Het gaat er bij de BMI dus niet om wat cosmetisch gezien het mooiste is. De BMI vertoont een relatie met de hoeveelheid lichaamsvet, maar de BMI-waarden geven niet het percentage lichaamsvet aan.  

Voor wie?

De indeling geldt voor volwassenen van van 18 tot ongeveer 70 jaar. Voor kinderen en pubers gelden andere grenswaarden, boven de 70 jaar is de relatie tussen de BMI en de gezondheid minder duidelijk. Voor sommige groepen, zoals Aziaten en hindoestanen, gelden andere grenswaarden. Dat heeft te maken met een andere lichaamsbouw. Over deze grenswaarden is nog discussie. Duidelijk is wel dat bij deze bevolkingsgroepen al bij lagere waarden sprake is van een verhoogd risico.

 

De indeling van de BMI bij volwassenen van 18-70 jaar

BMI (kg/m2)

 Classificatie

Risico

<18,5

ondergewicht

laag (maar verhoogd risico op andere aandoeningen)

18,5-24,9

normaal gewicht

gemiddeld

25-29,9

overgewicht

verhoogd

30 en hoger

obesitas

duidelijk verhoogd

 

Beneden een BMI van 18,5 is het verstandig te proberen wat aan te komen. Voor mensen met een BMI tussen 18,5 en 25 geldt: probeer dit gewicht te handhaven. Mensen met een BMI tussen 25 en 30 zonder bijkomende gezondheidsrisico’s moeten voorkomen dat ze dikker worden. Medisch gezien is het noodzakelijk af te vallen bij een Body Mass Index (BMI) boven de 30. Zijn er bijkomende gezondheidsrisico’s, zoals een hoog cholesterolgehalte en hart- en vaatziekten in de familie, dan is afvallen verstandig bij een BMI tussen 25 en 30.

Boven 70 jaar
Er zijn diverse onderzoeken gedaan naar de relatie tussen Body Mass Index (BMI) en sterfte bij oudere mannen en vrouwen. Hieruit blijkt dat de BMI waarbij de laagste sterfte optreedt, bij ouderen hoger ligt dan bij de jongere leeftijdsgroepen. Er zijn echter nog te weinig gegevens om bij ouderen precies vast te kunnen stellen wanneer de gezondheidsrisico’s beduidend toenemen. Duidelijk is wel dat de grenswaarden voor de BMI zoals die voor volwassenen gelden bij ouderen vanaf ongeveer 70 jaar met de nodige voorzichtigheid moeten worden gehanteerd. Dat geldt ook voor de beoordeling van de middelomtrek.


Ouder worden gaat gewoonlijk gepaard met veranderingen in de bouw van het lichaam, de samenstelling en de vetverdeling. Zo daalt het gewicht in verhouding tot de lengte. De hoeveelheid vet in de buikholte neemt toe, die op benen en armen neemt af. Bij mannen gebeurt dit heel geleidelijk. Vrouwen krijgen vooral na de menopauze meer vet in de buikholte.

Voor ouderen geldt in de eerste plaats: blijf op gewicht. Ouderen doen er goed aan alleen af te vallen op advies van een arts. Om overgewicht te voorkomen, kunnen ouderen het beste meer bewegen. Beweging is gunstig om spiermassa te behouden. Dit is bij ouderen belangrijk omdat spiermassa kan dienen als reserve bij ziekten. Wat het eten betreft, is het vooral belangrijk dat dat voldoende voedingsstoffen bevat. Bij ouderen neemt de energiebehoefte af, waardoor ze vaak minder gaan eten, maar de behoefte aan vitamines en mineralen blijft gelijk.

 

 

MET 

(Metabolic Equivalent Task)
Gedurende activiteit (inspanning, werk) is de energiebehoefte van het lichaam verhoogd. De toename boven het basaalmetabolisme (BMR of ‘basal metabolic rate’) wordt gemeten met behulp van het metabole equivalent (MET). Een MET is een veelvoud van het basaal metabolisme uitgedrukt in gebruik van zuurstof per kg lichaamsgewicht per minuut.
1 MET is ongeveer gelijk aan 3,6 ml zuurstof per kg lichaamsgewicht per minuut.
Voor een gemiddelde volwassen man geldt: lichte inspanning = 1,6 tot 3,9 METs en zeer zware inspanning = 8,0 tot 9,9 METs.

Omslagpunt
Het omslagpunt wordt ook wel de anaërobe drempel, de melkzuurdrempel, lactaatdrempel, overgangsgebied, maximale lactaat steady state of de maxlass genoemd. Bij een inspanning worden tijdens de inspanning koolhydraten omgezet in glucose. Deze glucose wordt ook weer afgebroken, waarbij als afvalstof melkzuur (lactaat) ontstaat. Melkzuur concentraties in het bloed worden aangeduid in mmol/l (millimol per liter). Ook in rust vormt zich melkzuur. Bij een inspanning onder de anaërobe drempel, wordt dit melkzuur in de spieren zelf verbruikt. Boven deze grens komt het melkzuur in de bloedbaan terecht, waar het wordt afgevoerd naar de lever, die dit weer omzet tot glucose. Het inspanningssniveau waarop deze kringloop langdurig in stand kan worden gehouden, wordt aangeduid als het omslagpunt of de steady state. In deze fase is de zuurstofbehoefte gelijk aan de zuurstof toevoer.

Vet%

Als er geen energie uit voedsel voorradig is, is het vetweefsel de belangrijkste energieleverancier voor de lichaamsfuncties. Gemiddeld hebben mannen en vrouwen ongeveer 10 tot 15 kilo lichaamsvet. Dit is voldoende om bij vasten een à twee maanden te overleven.

Daarnaast beschermt vetweefsel tegen afkoeling en fungeert het als ‘stootkussen’, zodat de inwendige organen niet zo snel letsel oplopen. Ook produceert vetweefsel diverse hormonen. Zo speelt leptine een belangrijke rol bij het aanpassen van het lichaam aan een periode zonder eten.

Vetweefsel bestaat voor circa 75 procent uit vet en voor circa 25 procent uit vetvrije massa. Die vetvrije massa bestaat weer voor ongeveer driekwart uit water en voor een kwart uit eiwit. Dit komt erop neer dat elke kilo vetweefsel goed is voor 7000 kilocalorieën aan energie. Iemand met 20 kg overgewicht heeft dus in totaal 140.000 kilocalorieën meer ingenomen dan hij of zij nodig had.

Hoeveelheid lichaamsvet

Vrouwen hebben in verhouding meer vetweefsel dan mannen. Voor het percentage lichaamsvet gelden de hierna genoemde standaarden. Percentages onder de ondergrens worden niet aanbevolen. Het percentage bij obesitas is de hoeveelheid vet bij een Body Mass Index van 30.

 

Standaarden percentage lichaamsvet

Leeftijd

geslacht

ondergrens

obesitas vanaf

Jong volwassen

vrouw

20

35

 

man

8

22

Middelbare leeftijd

vrouw

25

38

 

man

10

25

Ouderen

vrouw

25

35

 

man

10

23

 

VO2 max
De maximale zuurstofopname. De grootste hoeveelheid zuurstof die het lichaam tijdens een inspanning kan verbruiken. Deze is grotendeels erfelijk bepaald en kan slechts marginaal worden verhoogd. VO2 max wordt op 2 manieren gemeten: absoluut (liters zuurstof per minuut) of relatief (milliliters zuurstof per minuut of per kg (vetvrij) lichaamsgewicht. Alleen bij de laatste methode kan een vergelijking tussen twee sporters worden gemaakt